Twee dagen koersen in Congo: ‘Dit hoop ik nooit meer mee te maken’

Wat gebeurt hier! What the fuck gebeurt hier!’ Met een woest gebaar raapt Dennis Ruijgt zijn Specialized Tarmac van het brandende asfalt. Het decor: een kluwen van mensen en carbon vlak voor de finish in Kasangulu. Zo'n dertig renners vloeken, tieren en jammeren op de grond. Met de pijn in zijn gehavende lijf strompelt hij de laatste meters naar de streep. Maar de echte pijn moet dan nog komen. Dat is als hij na twee etappes en 228 kilometer beseft dat er al een einde is gekomen aan de Tour de la République Démocratique du Congo, de Ronde van Congo. Drie verkeersdrempels - ‘vierkante betonnen bakken’- zijn driekwart van het peloton fataal. Dáár heeft hij nou een week uitstel voor de start voor moeten doorstaan. Dáár heeft hij nou een half jaar voor getraind. What the fuck!’

Drie dagen na de valpartij is hij weer ‘thuis’, logerend bij broer Bas in Wateringen. Onder de schaafwonden zit z’n lijf. ‘Ik ben op m’n rechterkant terechtgekomen. Rechts ligt het helemaal open: m’n enkel, m’n knie, m’n elleboog, m’n zwembandje. Allemaal dikke plakkaten. Vanmorgen werd ik even helemaal misselijk. Dan zegt je lijf toch: nou heb ik effe al m’n energie nodig om dit te laten herstellen. Maar hier kan ik in huis tenminste in m’n blote kont lopen. Kan het lekker genezen.’

Tien, zes, of vijf etappes?

Dennis is lid van de Argos-Solar NRG-Van Scheijndel ploeg, in Congo start hij in het team Amani dat reclame maakt voor een koffieproducent. Het avontuur begint al op z’n Congolees: de koers wordt een week uitgesteld. ‘Uiteindelijk was er toch een ticket geregeld voor mij en mijn ploeggenoot Florian Duterloo. Verder hadden we drie Kenianen in het team. Eenmaal in Congo werd de koers weer een week uitgesteld. Daar was het verhaal: we moeten wachten op de andere ploegen. Er deden iets van twaalf teams mee, in totaal ruim 60 renners. Wat bleek: het geld voor de ronde was nog niet vrijgegeven door het ministerie van Sport. Eerst was er nog sprake van een ronde van tien etappes. Toen zes. Daarna vijf. We hadden iedere avond zoiets van: wat gebeurt hier nou weer!’

Plaatselijke pub

In de tussentijd zit er niks anders op dan trainen in de Afrikaanse hitte. ‘Met die drie Kenianen erbij hadden we een heel leuk ploegje. Veel getraind en veel gelachen. ’s Avonds gingen we naar de plaatselijke pub. Na een dag of vier zijn we maar aan het bier gegaan. We dachten: er gaat hier helemaal nooit meer gekoerst worden. De organisatoren hadden hotels geregeld. Allemaal pas een dag van te voren trouwens. Voor Congolese begrippen keurige hotels. Er kwam alleen hooguit een uur per dag water uit de kraan. De keren dat de stroom uitviel waren niet te tellen. Ach, dat je niet kon douchen was niet eens zo’n ramp. Alles is daar vies. Als je gedoucht had, was je tien minuten later alweer vies.’ En, met enthousiasme: ‘Ik vond het genieten. Prachtig man!’

Bus ging vier keer kapot

Koersen gebeurt uiteindelijk toch. Vóór die eerste etappe, Boma-Matadi, wacht het peloton eerst nog een verplaatsing. Dennis: ‘Het zou acht uur duren. Het werden er veertien. Wij zaten gelukkig in de bus die maar vier keer kapot ging. Ach, ik heb één belangrijke eigenschap: mijn geduldigheid. Maar toch word je er weleens moedeloos van. Die mensen daar, met hun gebrek aan reactiviteit. Ze zijn lam geslagen door de regimes in Congo. Ze durven niets meer, ze mogen niets meer, ze ondernemen niets meer. Maar je kan het hen niet kwalijk nemen.’

Eén klikpedaal

Het peloton is een bont gezelschap, met vooral Afrikaanse renners. ‘Het niveau verschilde enorm. De Rwandese ploeg is van continentaal niveau, boys die naar de Olympische Spelen gaan. De Kenianen in onze ploeg zouden meedoen met de Africa Games. Dat zijn profs. Maar in de ploeg van Congo reed een renner mee, die had één klikpedaal en één gewoon pedaal met een sportschoen. Die heeft de eerste etappe ook niet overleefd.’

Dennis op kop

Ook in het koersverloop ging het er op z’n Afrikaans aan toe. ‘Die gasten rijden heel springerig. Uiteindelijk besloten wij met onze ploeg maar op kop te gaan rijden, dan zouden ze zich misschien een beetje rustig houden.’ Wat, Dennis op kop, horen we dat goed? ‘Jaah! Ik was echt goed hier. Vorig jaar was ik pelotonvulling, kon ik net overleven. Dit jaar kon ik m’n werk doen, bidons ophalen. Ik reed twee keer lek, maar beide keren kon ik terugkomen. Het plan was om nog een keer met een ontsnapping mee te zitten. Zonder die val had ik het zeker uitgereden.’

Gangetje van 50

De val is er één met dramatische proporties. Dennis schetst een onthutsend beeld van de laatste kilometer. ‘Vijftig, veertig en dertig meter voor de streep liggen verkeersdrempels. Geen gewone zoals bij ons, maar vierkante betonnen bakken. Met een gangetje van 50 stoof ik in het peloton op de meet af. We waren nog met dertig, veertig over. Iedereen lag op de vloer. De helft bleef liggen. Er waren in het peloton één gebroken arm, twee gebroken sleutelbenen en veel schaafwonden. Ik kon nog opstaan, naar de finish lopen. M’n fiets reed nog, die dingen van Van Scheijndel zijn onverslijtbaar.’

Met een renner of tien minder ging de koers de volgende dag verder. ‘De andere vier van onze ploeg zijn er mee gestopt. Die wilden geen meter meer koersen in een land waar er zulke risico’s met mensenlevens worden genomen. Van twee van hen waren de fietsen trouwens total loss. Dit heb ik nog nooit meegemaakt. Het was mijn eerste val in een koers. Ik hoop het ook nooit meer mee te hoeven maken.’

‘Congo is heel arm’

Het land zelf maakte een desolate indruk, ondanks het enthousiasme onderweg. ‘De mensen stonden drie, vier rijen dik bij de start. Ook onderweg, als je een dorpje passeerde. Daar doe je het voor. Maar het leven daar is een drama. Echt een drama. Congo is heel arm. Het is het afvoerputje van Afrika. Ik maakte het mee dat andere Afrikaanse renners foto’s en filmpjes maakten om thuis te laten zien hoe laag de levensstandaard hier is.’

Paspoorten

Toch voelde de ontvangst er hartelijk. ‘Eén keer werd het ongemakkelijk. Meteen bij aankomst werden onze paspoorten ingenomen. Je voelt je dan echt gekidnapt in een land, een gevoel van machteloosheid. Maar die organisatie daar vindt: wij betalen jullie reis en verblijf, wij bepalen ook wanneer je weer weg mag. Uiteindelijk kregen we ons paspoorten weer terug. Tien minuten voordat het vliegtuig naar Brussel zou vertrekken. Ik zat er niet eens echt mee. Voor mij was het een extra vakantiedag geweest. Maar andere jongens moesten werken.’

Nog één keer kijkt hij terug op een wonderlijke anderhalve week. 'Dit was ellende, verwondering en avontuur. Koersen was bijna bijzaak. Dat was balen. Ik was fit, zo fit. Ik heb net een tripje naar Rwanda geboekt, met een uitnodiging om daar te gaan trainen. En als alles echt meezit, wordt het eind van het jaar nog de ronde van Madagaskar. Want ik wil toch nog heel graag een keer koersen. Echt koersen!'